De natuur is geen ontsnapping, schreef Derek Jarman.
Het is een plek waar je leert zien wat er al is.
Bloei en verval, naast elkaar.
Het leven zoals het is.
Een verrukkelijke oase
Voor de Britse schrijver en cineast Derek Jarman, die in de laatste jaren van zijn leven een volkomen onherbergzaam stuk grond omtoverde tot een oase van rust en schoonheid, was zijn tuin een levensbestemming geworden.
Het was oorspronkelijk een woestenij zoals je nog zelden ziet: een landtong als een steenwoestijn, een constante ruwe wind die de weinige aarde meteen tot het droogste zand reduceerde en een klimaat waar geen plant tegen opgewassen leek. Er groeide ook amper iets toen hij het trieste vissershuisje kocht, dat bovendien ook nog vlak naast een kerncentrale gelegen was.
En toch, ook al was hij meedogenloos ziek, hij maakte er een verrukkelijke oase van.
‘In mijn tuin was ik dicht bij de natuur en zag ik de levenskracht in een pure vorm. Het leven reproduceert zichzelf en gaat dus door, ook als ik er niet meer ben. Dat is een troostrijke gedachte.’
Die tuin is intussen beroemd en een soort bedevaartsoord geworden. Niet omdat het een idyllische plek is, maar net om het tegendeel. Het is een tuin die je naar de keel grijpt omdat hij je laat zien wat de natuur vermag als je bereid bent je erdoor te laten betoveren.
Psychiater Sue Stuart-Smith vertelt in haar boek over tuinieren het verhaal van Renata, die ze leerde kennen in een ontwenningscentrum. Ze was sinds haar adolescentie zwaar verslaafd. Renate stond absoluut niet open voor een project in de tuin van de kliniek waar ze verbleef. Tot ze daar een rijtje cactussen ontdekte die in de steek gelaten waren. Ze leken op leven na dood, maar er was er eentje met een heel klein bloemetje, en dat bloemetje, raakte Ren
Met veel aandacht ontfermde ze zich over de verwaarloosde cactussen. Het werden prachtige planten met bijzondere bloemen.
Door de diepe voldoening die dat gaf, begon ze zich ook over andere planten te ontfermen. Ze kregen een ereplaats in de leefgemeenschap en zelfs een tafel op de markt.
Renata had zich ingezet voor haar planten, en kreeg er zingeving, erkenning en dankbaarheid voor terug.
Het veranderde haar leven.
Krijgen en geven in de tuin
De tuin leerde Renata iets fundamenteel: een evenwicht vinden tussen krijgen en geven. Als je alleen maar met jezelf bezig bent en gefocust op krijgen, dan mis je niet alleen het diepe plezier van geven, maar mis je ook de essentie van verbinding.
De tuin is een plek waar je alsmaar meer leert geven op de meest natuurlijke manier. Net omdat je ook terugkrijgt – mentale en emotionele rust, verrukking, verwondering, energie, troost, prachtige gezonde vruchten en groenten – geef je ook meer – aandacht, zorgzaamheid, geduld, energie, tijd -.
Het is een organisch groeiproces zonder inspanning.
Empathie in de tuin
Het wateren van mijn planten moet bij mij vooruitgaan en dan laat ik de ene gieter vollopen terwijl ik de ander in hoog tempo uitgiet over de tientallen potten. Je zou me moeten zien rennen!
Af en toe trekt de mindfulness trainer aan mijn oor en zegt belerend: Aandachtiger gieten hè manneke, mindful!
Soms haal ik dan mijn schouders op en doe alsof ik hem niet heb gehoord. Maar even later, om de hoek, als hij mij niet ziet, durf ik het dan wel eens te doen: traag gieten, kijken hoe het water in de pot loopt, de aarde verzadigt, wachten tot het water er onderaan uitloopt. Soms luister ik zelfs naar hoe de plant het water gretig opslokt en geniet ik mee, alsof ik aan de cafétoog sta naast iemand die smakkend zijn biertje uitdrinkt. Dan kijk ik snel even rond en als de kust veilig is, hoor ik mezelf luidop tegen die plant zeggen: Kan smaken hè man!
In de tuin krijg je altijd de kans om te groeien
In een tuin mag je jezelf zijn en fouten maken. Door de afwisseling en de eeuwige terugkeer van de seizoenen kan je steeds leren uit je fouten (fout gepland, gesnoeid, gestekt) en jezelf corrigeren het jaar erop. Ook dat is groeien.
Wat je ook krijgt in de natuur is een reëel gevoel van verbinding. In de tuin werk je met je handen in de aarde, voel je de betrokkenheid op de seizoenen, de natuurelementen en de eeuwige cyclus van geboorte, groei en dood.
Voor mij persoonlijk – met dank aan Michel de Montaigne – is het besef dat ik, op mijn leeftijd, uit elkaar aan het vallen ben en dat dit een heel natuurlijk verschijnsel is, een grote troost bij het verouderen. In plaats van er mij tegen te verzetten begroet ik alle kwalen en mankementen met een milde glimlach want als ik rondom mij kijk in de natuur dan zie ik dat alles decomposeert en dat ik het troostende genoegen ken samen te vallen met dat grote geheel van komen en gaan.
Met een buiging, gewillig en dankbaar decomposeer ik vandaag en in de kist straks, decomposteer ik.
Het is moeilijk om gelukkig te zijn, in de tuin
In de tuin zijn er altijd dingen is die ontgoochelen: de geplande zaadjes van je stokroos komen niet uit, de courgettes zijn slap, een lievelingsplantje sterft veel te snel, de kiwi geeft geen vruchten en de vijgen zitten vol wespen. Dat is niemands schuld, het is nu eenmaal zo. De realiteit is anders dan onze verwachtingen. Je leert dat te aanvaarden. Het is uiteraard fijn om te dromen van een idyllische tuin, maar het is utopisch en je moet het leren doen met de realiteit die helemaal anders is.
Dat is wat je leert in een tuin, om het van daaruit te laten doorstromen naar de grote en kleine thema’s van je leven, waarin telkens opnieuw de uitdaging op je wacht om je verlangens los te koppelen van de realiteit en zo gelukkig mogelijk te leren zijn in die laatste.
Het is niet moeilijk om gelukkig te zijn, in de tuin.
Wat mij opvalt is dat ik in de natuur vaker glimlach. Meestal omwille van iets wat dieren doen (vogels, insecten) of omwille van een esthetische of betoverende ervaring, bijvoorbeeld de manier waarop licht door de takken valt en een plekje oplicht.
In die flowervaringen ben ik gewoon gelukkig. Daarom blijven ze ook bij.
Dit is er eentje uit de winter. Op een koude, grijze dag zie ik in mijn tuin een klein vlekje, amper een vierkante meter, dat nog een zoen krijgt van Madame Soleil. Ik besluit erin te gaan staan. Het is wel wat ongelukkig aan de straatkant gelegen en een alerte voorbijganger zou me kunnen spotten tussen de bamboe en het leverkruid in een voor hem wellicht zeer onnozele houding.
Ik haal mijn schouders op, sluit mijn ogen, surf even op de golven van mijn ademhaling, anker mijn voeten en focus me op het fascinerend spektakel dat Laura op mijn netvlies tovert: rode slierten, oranje vlekjes, zwarte Magritte gordijnen, dansende vormen in de prachtigste kleuren en dat alles in voortdurende verandering. Wat zich aandient neem ik glimlachend aan, ik hoef er niet over te denken, alleen maar te beleven.
Na een vijftal minuten laat de zon het doek vallen.
De natuur binnen in jou en buiten jou
Het is een vreemd verschijnsel, de natuur. Tegelijk ben je er deel van en sta je er buiten.
Je beseft het niet, maar puur organisch gezien besta je uit heel veel wezens: bacterieën, virussen, allerlei kleine wezentjes zoals wormpjes en soortgelijke creaturen. En dat maakt het natuurlijk wel complexer, want wat wij dan de menselijke soort noemen is het totaalpakket van al die levende organismen. We zijn dus zeker al een deel van de natuur om de eenvoudige reden dat we bestaan uit al die natuurelementen.
Maar tegelijk staan we er ook buiten: we observeren de natuur door ernaar te kijken, er over te denken en er bijvoorbeeld nu over te schrijven of te lezen.
Grote ambivalentie dus.
Wat blijft er over, na je teleurstellingen?
De grote Amerikaanse schrijver en natuurfilosoof Walt Whitman vroeg zich af: “Nadat je je hebt uitgeput in wat er te vinden valt in de liefde, het werk, de politiek, de hobby’s enzovoort – heb je ontdekt dat geen van deze zogenaamde zingevers uiteindelijk permanent voldoening geeft. En wat blijft er dan over?”
De vraag is voor de meesten onder ons een lange, verwarrende reis, om uiteindelijk aan te komen in een door eenvoud en evidentie gecamoufleerde plek: de natuur. Zoals Whitman stelt: “Only nature remains”.
Zo ervaar ik het ook zelf, maar dan als in een vertraagde film. Het lijkt alsof ik vele jaren geleden uit de sociale, prestatiegerichte, leuke, feestvierende drukte ben gesprongen met een parachute die ontzettend traag daalt en dat ik nu met de tippen van mijn tenen de natuur raak. Maar dat het nog jaren zal duren eer ik er helemaal geland bent. En dat dit langzame landen OK is, een fijne manier om die laatste fase van een leven in te glijden, het hoeft niet anders te zijn dan het is: niet aankomen, maar levenslang onderweg zijn ìn het aankomen.
Deze inzichten omzetten in de praktijk als een dagelijkse levenshouding is niet makkelijk. Het is geen quick-fix, het lost niet alles op en het blijft een uitdaging. Het is een leerproces en als je er praktisch mee wil kennis maken, dan kunnen mijn cursussen je misschien inspiratie en een wetenschappelijk goed onderbouwde methodiek bieden. Voor een overzicht, klik hier
Hoe ik zelf mijn tuin beleef, lees je in dit interview uit De Standaard.
Je kan desgewenst ook deze blogs lezen:
- Hoe mijn tuin mij leert dat het leven tegelijk prachtig en pijnlijk is.
- Voorwaardelijke liefde in de tuin
- Het gevoel van ‘niet-ergens-bij-te-horen’
- Sprezzatura
© Wilfried Van Craen. Deze teksten worden opgenomen in een nieuw boek en zijn dus auteursrechtelijk beschermd.


prachtig Wilfried! Ik kan hier veel van leren, ben ook veel meer in de tuin bezig nu ik halftijds eerk en halftijds pensiien waardoor ik meer tijd heb.