Niet toevallig vertrok ik als jongeman elke zomer op reis met een koffer vol vragen over werk, relaties, projecten, dilemma’s: Wat moet ik nu kiezen, welke beslissing is de beste, welke weg is de juiste?
Mindfulness heeft me geholpen om niet te gaan dolen en leerde me anders met die vragen om te gaan.
Je hebt immers een methode nodig als je verandering nastreeft, anders tast je te veel in het duister en shop je van de ene hype naar de andere.
Ik herinner me dat ik jarenlang op reis vertrok met de intentie om terug te keren met het antwoord op al die vragen. Naarmate de reis vorderde begon de spanning toe te nemen en op het eind van de reis was ik nog meer gestresseerd dan toen ik vertrok, want een eenduidig antwoord had ik op de terugreis absoluut niet mee. Dat frustrerende ritueel herhaalde zich jaar op jaar.
Toen mindfulness mijn eigen leven meer en meer begon te doordringen, ging het me geleidelijk aan het dagen dat ik geen ‘juiste keuze’, ‘eenduidige beslissing’ of ‘helder antwoord’ hoefde te vinden.
De uitdaging lag eerder in het leren dragen van de vragen.
‘De weg verschijnt van zodra je begint te stappen.’
Die woorden van de Soefi dichter Rumi zijn op het juiste moment bij mij blijven plakken en hebben me veel emotionele rust en verlichting gebracht.
Hoe het komt dat zo’n woorden dat effect hebben, is moeilijk te omschrijven.
Het is niet dat die woorden plots een vorm van kardinaal inzicht worden. Het gaat ook niet zozeer om ‘weten’ of kennis.
Waar het mee te maken heeft is de manier waarop je ze leert te ontvangen binnen in jou.
Ze landen eerder in je lichaam dan in je hoofd.
Als een bereidheid.
Met de ontvankelijkheid van een kind dat leert te stappen.
Waar naartoe is niet belangrijk, het stappen is de weg en het geluk is de vreugde van het stappen op het moment dat je stapt.
Dat is het begin van wat je leert in mindfulness: het geluk is steeds in het huidig moment. Al hebben we wel altijd die neiging om ‘voorbij de bocht’ te kijken, zoals in dit prachtige gedicht van Fernando Pessoa:
Voorbij de bocht in de weg
ligt misschien een plas, en misschien een kasteel
En misschien alleen de voortzetting van de weg.
Ik weet het niet en vraag het niet.
Zolang ik op de weg loop en voor de bocht
kijk ik naar de weg slechts voor de bocht,
want ik kan niet anders zien dan de weg voor de bocht.
Ik zou er niets aan hebben naar een andere kant te kijken
en naar dat wat ik niet zie.
Laten we ons houden bij de plaats waar we zijn.
Er is schoonheid genoeg in hier zijn en niet ergens anders.
Als er mensen zijn voorbij de bocht in de weg,
laten die zich dan maar bemoeien met wat er is
voorbij de bocht in de weg.
Die weg is voor hen de weg.
Mochten we daar ooit komen,
dan zien we wel als we daar komen.
Voorlopig weten we alleen dat we daar niet zijn.
Hier is slechts de weg voor de bocht,
en voor de bocht is er de weg zonder enige bocht.

