fbpx
Vrouw slaat een man met boxhandschoen

’t Kot is te klein.

Man zegt tegen vrouw: ‘Die klinkt plakt’. 
Ze is druk in de weer in de keuken en reageert amper.
De volgende dag constateert hij het opnieuw en zegt: ‘Nu plakt die klink nog altijd’.
‘Kuis het dan op’.
‘Maar wie maakt dat hier vuil, ik niet!’
‘Ga je nu eens ophouden met zagen, ja.’ 
‘Altijd plakt er hier wel iets, ik ben dat beu,  ik wil in zo’n vuil huis niet leven.’
‘Pak dan uw valies en ga op een ander!’

Ik kan me voorstellen dat in Coronatijden, waarin menig koppel langdurig dicht op elkaar moet leven (en werken), het kot vaak te klein is en de fricties over banale dingen giftige proporties aannemen.
En waar gaat het eigenlijk om?
Kleine, stomme dingen.
Maar ze muteren onophoudelijk in nieuwe vormen en gedaanten.
Altijd wordt er wel een nieuw thema gevonden om de relationele bloeddruk vervaarlijk de lucht mee in te jagen. 

Neem nu dit voorbeeld.
In eerste instantie gaat het om een onduidelijk actieterrein: van wie is het territorium
“klinken afkuisen als ze plakken”.
Daar wordt niet over gepraat, maar volgens de man is dit  duidelijk het territorium van de vrouw, want hij wacht tot zij het opkuist. Volgens hem moet hij alleen iets opkuisen als hij het zelf heeft veroorzaakt en staat zij in voor de dingen die zij uitlokt (in zijn ogen: veel) èn ook de plaktoestanden die de kinderen veroorzaken.

Ten tweede heeft het met verschillende relatieverwachtingen te maken. De man ziet zichzelf niet als iemand die moet afkuisen, opruimen etc, de vrouw ziet hem wel zo. Zolang die verwachtingen (die overigens constant evolueren) niet geëxpliciteerd worden, zitten ze in de machtsstrijd en zullen ze blijven ruziemaken over onduidelijke territoria.

Dat weekend ging het niet anders.
Die paar vrije dagen wou hij heel bewust genieten van de rust en was hij al vroeg uit de veren om de dag aan te vangen in de stilte van een uitgebreid ontbijtritueel terwijl zijn vrouw en de kinderen nog sliepen.  Dat lukte prima en hij nam zich voor extra vriendelijk voor haar te zijn, ze had het al lastig genoeg met haar werk en de pubers in huis. Hij maakte een uitgebreid ontbijt voor haar klaar op het terras.

Ze overliepen wat ze die dag zouden doen en de sfeer was ontspannen en beloftevol. Tot ze enthousiast begon te vertellen en met haar mes vol jam heen en weer zwaaide als een dirigent die de negende van Beethoven inzette. 
Toen de klodder knalrode aardbeienjam tot zijn afgrijzen landde op het nieuwe, witte tafelkleed ging hij door de rooie.
‘Hoe is dat in godsnaam mogelijk, je bent hier nog maar een kwartier en het moet al plakken.’

Hij wist dat hij beter gezwegen had, maar het spoot eruit als lava uit een vulkaan, alsof alle irritaties die zich de afgelopen maanden in de diepe krater hadden opgestapeld, nu meegesleurd werden door een lavastroom aardbeienjam.
Net toen hij voelde hoe de uitzichtloosheid zich als een natte deken over zijn schouders spreidde, stond ze plotsklaps op en zei met het typische stemmetje en de onschuldig ogende expressie van Ernie: ‘Bert, ik denk dat jij niet meer van me houdt, want je moppert altijd zo.’

Hij schrok en bromde: ‘Nee hoor Ernie’ en pakte haar stevig vast. Toen ze haar handen om hem heen sloeg viel haar boterham op de grond met de plattekaas naar beneden.

Vanaf toen, als hij weer te veel negatieve commentaar gaf of zij teveel rommel of plak maakte, deden ze de Muppet imitatie en stroomde er verse zuurstof door het plots verrassend grote kot.

Delen

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.