fbpx

Spookgezelschap

Sommigen onder ons zijn obsessioneel gepreoccupeerd met iemand die er niet is. Een soort spookgezelschap dat in een bepaalde periode het leven wat draaglijker maakt.

Als het gemis aan de ander net zo groot geworden is dat hij opstaat in je imaginatie en zo levendig wordt dat je ermee aan het praten gaat, dan ben je volgens psychiatrische criteria misschien wel aardig op weg een waan te ontwikkelen, terwijl het wellicht niet meer is dan een van die wonderlijke kronkels waarmee het onbewuste onze mond boven de waterlijn tilt.

In de psychologie spreekt men van fantasy-prone personality, mensen die prima functioneren en toch een zeer ver doorgedreven vorm van fantasiebeleving kennen waarin ze zien, horen, voelen, smaken en ruiken alsof het allemaal echt is. Meestal hebben ze gedurende hun kindertijd om één of andere reden (eenzaamheid, verveling, frustratie) geleerd om te vluchten in hun fantasie als een manier om de vierkante, stugge wereld wat ronder en aangenamer te maken.

Zo stond Carla als achttienjarige voor een moeilijk dilemma: in welke richting zou ze verder gaan, nu ze de middelbare school achter de rug had. De tijd begon te dringen en er diende een keuze gemaakt te worden, zeiden haar ouders. Carla ging naar haar kamer en nam haar drie poppen, die ze was blijven koesteren: Barbara, Kathy en Becky, en begon te ‘spelen’. Barbara argumenteerde dat het stom zou zijn als Carla, die een goede studente was, niet verder zou studeren aan de universiteit. Kathy daarentegen vond dat Carla haar muzikale talenten niet mocht verwaarlozen en hield vol dat ze zich niet met die saaie studies moest bezighouden, maar volledig moest gaan voor een rockgroep. Becky tenslotte stelde een comprmis voor: Carla zou een universiteitsstad kunnen uitkiezen waar ze ook in haar vrije tijd bij een rockgroep zou kunnen spelen.

Uiteindelijk werd het die laatste optie.

Buitenstaanders zouden weleens met hun wijsvinger tegen hun slaap kunnen tikken mochten ze het horen, maar voor Carla was dat luidop gevoerde ‘groepsgesprek’ een heel natuurlijk en dagelijks gebeuren.  Er is ook niets mis met haar, Carla functioneert prima in het gewone dagelijkse leven.

Haar geschiedenis is een typische illustratie van fantasy prone personality. Reeds als kind ontwikkelde ze een uitzonderlijke inleving bij lezen, spelen en later ook bij religieuze ervaringen: ze ging er extreem in op, zo erg dat ze letterlijk fysische reacties had als misselijkheid en angstaanvallen wanneer ze op TV of in film geweldscènes zag. Haar fantasiebeleving kon zo levendig zijn dat ze, om maar eens een leuker voorbeeld te nemen, makkelijk een orgasme kon krijgen zonder zichzelf aan te raken of aangeraakt te worden.

Het extreem kunnen opgaan in hun fantasieën, blijkt trouwens voor ‘proners’ een voordeel te zijn dat ze dagelijks kunnen toepassen. In plaats van ze op te kroppen of uit te werken op hun medemens kunnen ze hun irritaties, woede of agressie veel makkelijker kwijt via hun levendige imaginatie en kunnen ze die ook gebruiken om een breed scala aan oplossingen of benaderingen te genereren als zich een probleem of uitdaging stelt.

Alhoewel geen vorm fantasy prone – dat is immers een duurzame, vaak levenslange eigenschap – is het meest courante spookgezelschap dit van dierbaren die ons zijn ontvallen en die toch, op één of andere mysterieuze manier, nog steeds aanwezig zijn.

Annie M.G. Schmidt schreef er, nadat haar man was overleden, dit mooie stukje over:

‘Merkwaardig is – en dat heb ik met meer weduwen gemeen – dat ik met mijn man blijf praten. Dat ik zeg: “Wat vind jij daarvan?” En dan geeft-ie antwoord. Tenminste, dat denk ik. Hele gesprekken kan ik houden. Er komt geen geluid; het is denken, maar het zijn wel gesprekken.{…}

Tot de dood ons scheidt, zeg je, zegt iedereen, maar het is niet waar, want de dood scheidt ons niet. Mensen gaan niet echt bij je weg door de dood.

Mijn man, Renate die een goede vriendin van me was, ik ga nog dagelijks met ze om. Terwijl ik helemaal niet geloof dat ze ergens boven me zweven, maar dat doet er niet toe.

‘Moet je nou toch eens horen wat mij nu weer is overkomen,’ zeg ik dan tegen Dick, mijn man. En die zegt dan: ‘Dat had je dan ook maar niet moeten doen.’

Spookgezelschap is ook mij niet vreemd. De eerste was een imaginaire zus die ik als adolescent had gecreëerd. Enig kind, veel onbegrip en vaak alleen, meer had zo’n jongeman niet nodig om onbewust een zielsgenoot te creëren. De mijne noemde Frida.

We deden heel veel samen, Frida en ik. In de zetel lagen onze lome ledematen over elkaar als de poppen van Bellmer, of we hingen met handen in de zakken urenlang nihilistisch te niksen tegen de muur van Pink Floyd.

Soms nam ik haar mee de wereld in. Ze vergezelde me op fletse familiebijeenkomsten, fuiven en feestjes waar ik me zo thuis voelde als een pinguïn in een sauna.

De grootste uitdaging was erop te letten niet luidop tegen haar te praten in gezelschap. Eén keer ben ik betrapt. Het was op de bus in Brussel, er was weinig volk en ik zat achterin met mijn rug naar de chauffeur. Zij, m’n spookzus, zat tegenover me. We waren een beetje gek aan het doen en ik ging zodanig op in ons spelletje, dat ik niet had gemerkt dat er iemand was opgestapt die schuin achter mij was komen zitten. Pas toen ik wou afstappen, zag ik hem. Hij vroeg “Ca va ?”. “Oui oui, très bien, merci”, verzekerde ik de bezorgde man, en terwijl ik mijn hoofd even naar rechtsachter draaide riep ik ongeduldig: “Allez kom, Frida!”

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.