Wie ben ik?

Het is een vage herinnering, maar wel een diepe: als kind kon ik me in
vele varianten afvragen: stel dat ik ‘ik’ niet ben.
Soms ging ik daar behoorlijk ver in: ik stelde me voor dat ‘ik’ een ander
was, die weliswaar als twee druppels water op ‘mij’ leek en dat het ooit
zou uitkomen dat ik al die tijd iedereen bedot had.
Het was een fantasie die ik jarenlang even frequent als intens beleefd
heb.

Heeft die vraag ook jou ooit betoverd, lezer: Wie ben ik?
Als kind werd ik er al snel duizelig van.
Het eenvoudigste antwoord was natuurlijk: Wilfried Van Craen. Maar dan
dacht ik: wat als ik mijn naam veranderen zou? In Peter Vandersmissen
of Zubrakaski Pipinar, bijvoorbeeld. Wie was ik dàn?
En als ik in plaats van een jongen een meisje zou zijn geweest? Of geen
van beiden of allebei.
Of in Honolulu of Timboektoe was geboren?
En die ‘ik’ van vroeger, dat kleine ventje, die is weg.
Die van gisteren ook. Maar hoe snel gaat zo’n ‘ik’ eigenlijk weg: was ik
een seconde geleden nog ‘ik’?
En al die mensen die zeggen dat ze me graag zien. Over wie hebben ze
het dan? Die van nu kan niet, want die kennen ze (nog) niet. Ik kan
eigenlijk niet ‘nog’ zeggen, want zo meteen is die waarop ‘nog’
betrekking heeft, verdwenen. Dus die kunnen ze niet graag zien, want ze
zien hem niet.

Die van vroeger dan, degene die ze zich herinneren. Maar die is
uiteraard ook weg, dat ben ‘ik’ al lang niet meer.
Slotsom: niemand houdt van mij.
Want zonder ‘ik’ geen ‘mij’.
Of is het voorwaardelijke liefde: ze houden van die, die ik toen was.
Of van dat ene deel dat ik nu soms ben.
Want ik ben ook met veel, daar in mijn bovenkamer, een orkest van ikjes
die allemaal de eerste viool willen spelen.
Geprezen zijn de zeldzamen van de ware liefde. Zij aanvaarden het hele
orkest, de onbestendige, steeds transformerende dirigent incluis
Mijn ‘ik’ lijkt wel het kruispunt van twee assen. In de verticale ben ik het
steeds vernieuwde eindpunt van mijn geschiedenis. In de horizontale ben
ik een bijeenkomst. Mijn hoofd is dan een soort leraarskamer waar alle
ikjes samen komen, hun voeten op tafel gooien, een sigaar opsteken, de
ventilator op 7 draaien en aan het delibereren gaan: wie mag er door?

Het steeds wisselende kruispunt van die twee assen, dat ben ‘ik’.
Verandering blijft de enige constante.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.