Denken kan je gezondheid schaden.

Portret: Eliseu Visconti

We hebben uiteraard geen bezwaar tegen denken op zich, maar teveel in je hoofd zitten heeft zo zijn nadelen.
– je geniet minder van het leven
– je bent voor de anderen niet zo’n aangenaam gezelschap
– datgene waarover je piekert verandert er niet door
– het leidt tot emotionele en lichamelijke stress
Op zich is er uiteraard niets fout mee, met die gedachten.
Je moet ze alleen niet geloven.
Je gedachten kunnen van de hel een hemel maken en van de hemel een hel.
Het zijn immers geen realiteiten, maar constructies in je hoofd.
En die constructies kunnen constructief zijn, of destructief, leiden tot positieve emoties of negatieve, ontspanning of stress, minder of meer lichamelijk ongemak, assertief of subassertief gedrag, een aangenamer of een onaangenamer leven.

Negatieve gedachten sleuren je de toekomst in (ik ga die deadline niet halen; ze zullen me niet goed genoeg vinden; ik ga nooit meer gelukkig zijn; wat als ik ziek word; ik ga geen levenspartner meer vinden …) of zuigen je naar het verleden (ik heb me belachelijk gemaakt; ik draai altijd opnieuw dat filmpje af; waarom is mij dat overkomen; had ik maar …; door die scheiding ben ik een mislukkeling …)
Het kan om grote levensvragen gaan maar evenzeer om dagdagelijkse kleine, haast banale maar wel frequente gebeurtenissen.

Een voorbeeldje:
Ik ben wat gestresseerd, vier beaufort schat ik, en denk: een wandeling langs de Schelde met Lorca, mijn hond, zal me deugd doen. Ik neem me voor ervan te genieten, stap het jaagpad op en passeer al meteen iemand met een hond. Ik groet vriendelijk, de ander groet niet terug en ik vraag of de honden mogen spelen. Ik krijg een bitsig ‘Nee’.
Verbouwereerd stap ik door en de rest van de wandeling draai ik scenario’s af over hoe ik die ongelikte beer zijn vet had kunnen geven.

Op de terugweg, komt een fietser met hoge snelheid in de net ingevallen duisternis op me toe gereden. Zijn overdreven fietsverlichting verblind me. Ik zie niets meer en kan nog net Lorca aan de kant trekken terwijl de fietser, zijn lichaam haast horizontaal op zijn machomachine, vloekend langs scheert. De rest van de terugtocht stel ik me in mijn verbeelding voor dat ik hem de dag erop terugzie en hij me weer verblind. Vervolgens speel ik in de filmzaal van mijn hoofd telkens dezelfde film af (hoe ik hem gezwind de wind van voor geef) maar met telkens een ander scenario. Pas als ik thuis ben en Lorca me geduldig vraagt om hem van zijn leiband te bevrijden – vergeten omdat ik nog in de filmzaal zat – besef ik dat ik van die wandeling geen moment genoten heb. Tijdens de heenweg zat ik de hele tijd in het verleden, en tijdens de terugweg zat ik de hele tijd in de toekomst. Mijn stressmetertje net na de wandeling knippert op zeven beaufort. In plaats van rustiger te worden heeft de wandeling me nog meer gestrest gemaakt. De wandeling?

Mocht mijn vrouw me vervolgens vragen ‘Wat scheelt er, je ziet er zo opgeladen uit’, dan zou ik het verhaal vertellen van ‘de arrogante fietser’ en ‘de onvriendelijke man’. Alsof zij de oorzaak zijn van mijn verhoogd stressniveau.
Michel de Montaigne, die de mosterd haalde bij de Stoa filosofen, zou echter aan mijn oren trekken en me corrigeren. Man en fietser waren wel de aanleiding tot mijn verhoogd stressniveau (zonder hen zou ik na de wandeling wellicht twee beaufort hebben gescoord), maar de oorzaak van mijn huidige score ligt niet in de gebeurtenissen die me zijn overkomen, maar in mijn perceptie van die gebeurtenissen. Met enig talent voor drama zou ik wel een score van 9 kunnen behaald hebben, maar evenzeer 4,5, afhankelijk van ‘wat ik ervan maak’, de constructie die ik in mijn hoofd bouw (een olifant of een mug), kortom, mijn perceptie van de gebeurtenis.
Stel dat de constructie in mijn hoofd richting olifant gaat, dan is het niet onwaarschijnlijk dat er stoom uit mijn oren komt, het avondeten me niet smaakt, ik tegen de hond begin te blaffen, voor het gezin even aangenaam ben als een wasmachine (ik maak dan ongeveer hetzelfde geluid), mijn darmen zeemansknopen leggen en ik ‘s nachts, wegens een filmfestival in mijn hoofd, zo alert ben als een Duracell konijn.

Toegegeven, je moet over een beetje talent beschikken, maar dat is zo geleerd.
Oefen je alvast in overdrijven (“iedereen was tegen mij vandaag, niemand heeft respect voor me”), catastroferend denken (“dat is een ramp, mijn buren hebben dat gezien en zullen het dijen kletsend voortvertellen zodat straks gans het dorp weet dat ik een slapjanus ben”), zwart-wit denken (“al die koersfietsers zijn egoïsten die geen respect hebben voor andere mensen, wat zeg ik: egoïsten?, psychopaten zijn het ja”), het levendig herinneren van het akeligste moment en het afdraaien van de filmpjes over de volgende ontmoeting waarbij je telkens het scenario aanpast aan een variante (“als hij dat zegt/doet, dan …, maar als dit gebeurt, dan reageer ik …”).

In een tweede versnelling moet je je leren druk maken over het feit je je zo druk maakt. Dat betekent ook dat je je zorgen moet maken over al je symptomen. Om te beginnen je slaap: je hebt hem nodig en je zal hem niet hebben, morgen wordt een rotdag, je kent jezelf: één nacht niet geslapen en de volgende lukt ook niet meer, je gaat aan de pillen moeten en dan wordt je verslaafd, dat weet je zeker.
Dan die darmklachten: dat is niet toevallig. Zo was het ook begonnen bij die collega en herinner je je hoe het is afgelopen? Darmkanker.
Vervolgens de spanningen in het gezin omwille van je gedrag: het is duidelijk dat voor je vrouw de maat vol is, ze zal de scheiding aanvragen en geen rechter die een stresskonijn als jij ook maar een millimeter billijke regeling zal toestaan.

En zo kunnen we nog een paar bladzijden doorgaan, materiaal genoeg, en wees niet ongerust, oefening baart kunst.

 

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.