Ik ben onzeker.

Ik hoor steeds vaker mensen zeggen: “Oh, wat ben ik toch onzeker!”.
Zou deze leeuw dat ook ooit van zichzelf gedacht hebben?
Het lijkt niet zo, maar ik vermoed van wel.
Misschien die keer toen hij afgewezen werd door de knapste leeuwin van de brousse. Of die andere keer, toen hij niet over dat beekje durfde te springen omdat hij als pup eens in het water was gevallen en er een beschamende watervrees aan overhield.
Onzeker zijn we allemaal wel eens en dat is best OK.
Zolang het de kwaliteit van je leven niet aantast.
Maar wanneer spreken we nu eigenlijk van onzekerheid?
Zullen we het eens in kaart brengen?

1 Je bent niet onzeker, je gedraagt je alleen maar onzeker

Onzekerheid gaat niet over jou als persoon, maar over je gedrag. Je gedraagt je weleens onzeker, maar daarom ben je nog geen onzeker iemand. Soms zeggen mensen van zichzelf: ‘Ach, ik ben toch zo onzeker.’ Dat is onterecht, maar niet onschuldig. Als je jezelf een etiket opplakt, ga je je hoogstwaarschijnlijk ook zo gedragen: het wordt een zichzelf waarmakende voorspelling. Probeer genuanceerd te denken: soms gedraag je je weleens onzeker, maar vaak ook niet.

2 Het is situationeel

In de meeste situaties voelen we ons behoorlijk zelfzeker. Dat kan in gezinsverband zijn, op het werk (als je dingen doet die je goed kan), tijdens sommige activiteiten, of bij mensen waarbij je je goed voelt. We beschouwen dit als ‘normaal’ en merken het niet op. Het verandert trouwens ook steeds in de tijd: vroeger gedroeg je je misschien verlegen bij de vrienden en collega’s tegenover wie je je nu behoorlijk zelfzeker gedraagt. Let er eens op in welke situaties jij je behoorlijk zelfzeker gedraagt.

3 Het is geleerd gedrag

Je lag niet als een onzeker persoon in je wieg. Oorspronkelijk was je een onbeschreven blad (de erfelijke belasting terzijde gelaten) en vanuit je ervaringen heb je geleerd om je in sommige situaties assertief te gedragen, en in andere agressief of subassertief. Onzeker gedrag kan je afleren en vervangen door nieuw aangeleerd, zelfzeker gedrag. Het is dus een leerproces.

4 Drie manieren om te reageren

Grosso modo kan je drie soorten van sociaal gedrag onderscheiden: assertief, subassertief en agressief gedrag. Je kan je deze soorten best voorstellen op een continuüm, een denkbeeldige lijn met in het midden het gewenste assertieve gedrag, en naar de uiteinden toe ongewenst gedrag: subassertiviteit of verlegen gedrag aan het linker uiteinde en agressief gedrag aan het rechter uiteinde.
Het ontbreken van assertiviteit kan zich zowel uiten in de richting van  subassertiviteit als in de richting van agressiviteit.
De term ‘subassertiviteit’ dekt ook het begrip ‘verlegenheid’ en is een typisch terugtrekgedrag: in plaats van de confrontatie aan te gaan om te bekomen wat je wil, ga je eerder vermijden, vaak omdat je afwijzing vreest of omdat je denkt dat je de situatie niet zal aankunnen. Je bent dan ook te veel gericht op wat anderen van je verwachten, in plaats van te gaan voor je eigen waarden, visies en doelen. Daardoor heb je niet het leven dat je uiteindelijk wil. Het is de ‘jij wint ik verlies’-positie.
Bij agressief gedrag is het net andersom, en denk je alleen maar aan je eigen doel, ten koste van de ander: het is de ‘ik win jij verliest’-positie. Agressiviteit kan zich in de omgang uiten door verbale of fysieke dominantie, dreigen, manipuleren en oneerlijkheid (‘het is voor jouw bestwil’), maar ook door het gebruik van charme, welsprekendheid en aantrekkelijkheid (de ‘gladde verkopers-stijl’). Agressieve mensen zien het destructieve effect van hun gedrag op de ander vaak niet. Dit effect kan echter zo negatief zijn dat niemand graag met zulke personen omgaat. Daardoor blijven ze vaak eenzaam achter, krijgen ze weinig steun en vriendschap en lukken langdurige, intieme relaties maar moeilijk.

5 Waar gaat assertief gedrag over?

Veel mensen verwarren assertief gedrag met stereotiep en sociaal wenselijk gedrag, en denken dat hun gedrag moet beantwoorden aan een soort prototype van assertiviteit: een dominante houding, ontzettend sociaal, supervlot, leuk in de omgang en steeds een eigen mening klaar. In een discussie zal zo’n stereotiep model altijd lik op stuk geven, ‘scherp staan’, te pas en te onpas neen zeggen en proberen elke situatie naar zijn of haar hand te zetten.
Laten we wel wezen: over dit soort assertiviteit (dat gevaarlijk dicht bij agressiviteit komt) gaat het in dit boekje duidelijk niet.
Wat voor mij de essentie is, is dat je je kan gedragen zoals jij zou willen, op dit moment en in deze situatie (want morgen of in een andere situatie is dat misschien anders), rekening houdend met de ander.
Het ‘juiste’ assertieve gedrag bestaat overigens niet. Stel dat jij een rustig avondje thuis wil, en jouw partner snakt ernaar om eens samen weg te gaan, dan kan je assertief zijn door zowel voet bij stuk te houden en thuis te blijven, als door toe te geven en samen de stad in te trekken, afhankelijk van waar je prioriteit ligt. De kernvraag is: wat wil je (deze keer)? Opkomen voor je eigen zin of je partner een plezier doen? De laatste optie zal voor veel mensen niet assertief lijken, terwijl ze dat wel degelijk kan zijn. In een situatie van tegengestelde verwachtingen of verlangens (je kan niet tegelijkertijd thuisblijven en weggaan) kan je ervoor kiezen je eigen zin deze keer opzij te schuiven en iets te doen voor de ander. Zolang dit een vrije keuze is en geen gewoontegedrag, is daar uiteraard niets fout mee.

Zo kan het ook best assertief zijn om in een restaurant je biefstuk ‘niet’ te retourneren als die niet volgens jouw wens gebakken is, maar het kan evengoed een uiting van gebrek aan assertiviteit zijn. Lijkt verwarrend, maar stel je, wat het eerste betreft, maar eens voor dat je een romantisch etentje hebt waarbij je de sterren ziet schitteren in de ogen van je verliefde tafelgenoot. In dat geval ligt je prioriteit niet bij het langdurig zoeken van en wachten op de ober, maar duidelijk bij die sterrenhemel. Indien je prioriteit echter bij je knorrende maag ligt, en de conversatie met je tafelgenoot wel wat kan wachten, dan zou het behoorlijk subassertief zijn die lap saignant niet te retourneren.
Laat je dus niet misleiden door die stereotiepe opvattingen. Ga integendeel steeds opnieuw de confrontatie aan met de (soms behoorlijk moeilijke) vraag: wat ‘wil’ ik? Met het accent op ‘wil’ en niet altijd op ‘ik’. Dat betekent twee dingen: dat je rekening houdt met anderen (je streeft naar een win-winsituatie voor zover het mogelijk is), en ook dat je leert te formuleren wat je eigenlijk concreet zou willen en dat je zelf de verantwoordelijkheid opneemt om dat te realiseren.
Op die manier verruim je je vrijheid en je levenskwaliteit. In plaats van een leven dat anderen je voorschrijven, of een leven als ‘slachtoffer’, leidt je meer en meer het leven dat je zelf écht wil.

Als een assertiviteitstraining ertoe kan bijdragen dat je op deze manier een rijker, boeiender en kwaliteitsvoller leven hebt, dan is ons opzet geslaagd.

 

1 mening over “Ik ben onzeker.”

  1. Dehandschutter Bart

    Graag voeg ik iets toe, na oppervlakkig gelezen te hebben, want anders heb ik te veel inhoudelijke invloed:

    Ik denk dat zelfzekerheid ook een onderwerp is voor mensen die van nature redelijk angstig in het leven staan. Bijvoorbeeld bij kinderen. Het ene kind “denkt minder na” dan het andere. En met denken, bedoel ik voor dit onderwerp ook piekeren. Door te piekeren en bezorgd te zijn, komt regelmatig op verschillende levensdomeinen, zoals het schoolleven, de toetsen en de schoolkameraden, de vraag oplichten: “Ben ik zelfzeker?”, “Ben ik zelfzeker genoeg om naar die jongen of dat meisje toe te stappen?”, “Geloof ik in mijn kunnen en kan ik de richting aan die ik volg in het secundair onderwijs?”, of: “Geloof ik dat ik deze toets goed kan voorbereiden?”.

    Deze vragen en gedachten zullen inderdaad, zoals reeds in de blog is aangegeven, er toe leiden dat je reeds eigenschappen begint te tonen van hetgeen je vreest: je geraakt bijvoorbeeld moeilijker in contact met klasgenoten of je voelt je niet zo comfortabel tussen de anderen. Of ja, er is alweer een toets en ik denk dat het wel weer niet goed zal gaan.

    Het punt dat ik wil aangeven, is dat wie niet piekert, ook niet met de vraag zal zitten: “Ben ik zelfzeker?”. En automatisch zijn de sociale contacten en de schoolprestaties beter, gewoon omdat ‘ik’ mezelf niet in vraag stel, omdat ‘ik’ mij niet afvraag of ik aan iets zelfzeker zal kunnen beginnen. Er niet aan denken dus, omdat het onderwerp ‘zelfzekerheid’ mij niet bezig houdt. Dit zie ik ook als een eigenschap die je van nature bezit. Het is wat vreemd om vast te stellen en te vragen aan je kind: “Vraag jij je soms niet af of je goed in de groep zit op school en of je geaccepteerd wordt en mag zijn wie je bent?”, “Durf jij je te tonen?”, “Hoe sta je tegenover je schoolprestaties?”, “Voel je (prestatie)druk?”. Het antwoord is verrassend: “Papa, wat bedoel je precies?”, “Waar wil je met deze vraag naartoe?”, “Ik ga gewoon naar school, ik bereid mijn taken en toetsen voor zoals de leerkracht het aangeeft en ik beweeg mij door de andere leerlingen zoals ik dat zelf wil. Waarom zou ik mezelf in vraag stellen?”.

    Ik sta versteld van deze antwoorden. En ik kan er iets van leren. Onder meer kan ik besluiten dat we ‘zelfzekerheid’ niet te groot mogen maken en dat we gewoon moeten doen wat we graag willen doen. We belasten ons best niet altijd met bepaalde vragen. Er zijn vele momenten waarbij we onze zelfzekerheid aanspreken, daar waar het geen meerwaarde heeft, wel in tegendeel: door onze focus te richten op wat we vrezen, vinden we hier wel snel een “bewijs” voor, waardoor we nog meer overtuigd raken dat onze bezorgdheden over onze tekortkomingen, bijvoorbeeld over ons zelfbeeld, terecht zijn. Dan gaan we onszelf een stempel drukken, bijvoorbeeld: “Ik kan/durf het niet”, en zal deze “zelf-veroordeling/overtuiging” ons leven verder negatief beïnvloeden, daar waar het niet nodig was.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.