Perfectie is perceptie.

Gisteren was een goede dag.
Dat kwam omdat ik was kunnen opgaan in het schrijven van mijn boek.
Ik zat ‘in de tunnel’, en had kunnen doorwerken van de (bij mij latere) ochtend tot een stuk in de nacht.
Oja, er waren heel wat onderbrekingen, maar ze gijzelden me niet, in mijn hoofd bleef het boek dan beleefd wachten zoals een patiënt dat doet als een dokter wordt weggeroepen: met mild begrip en erop vertrouwend, maar ook dankbaar dat jij straks weer alle aandacht krijgt.
Ja, ik zat in de flow gisteren en toen ik tussen de lakens gleed gaf dat een diep gevoel van voldoening.

Dat gebeurt eerder zeldzaam, meestal verlopen de schrijfdagen tamelijk frustrerend. Een hele boel dingen leiden me dan af en slorpen me op. Het lijkt dan of ik op een autosnelweg rijd maar elke afrit afrij om pas na een heel tijd weer de oprit te nemen, de snelweg op tot de volgende afrit en hetzelfde scenario zich herhaalt tot het bedtijd is.

Vanochtend was ik vastberaden de goede flow van gisteren weer op te pikken.
Ik verheugde me erop en had er zin in.
Na een uurtje opwarming kreeg ik een telefoontje van mijn dochter of ik kon komen sitten. Dat zag ik niet zo goed zitten, omdat ik dat de dag erop ook al zou doen, en dan komt het schrijven op een laag pitje. Ze kon het begrijpen, maar het bleef me bezig houden en ik belde haar voor een compromis: ik zou ’s avonds komen.
Vol ijver zette ik me aan het werk.

Plots kwam er dringende mail: er moest dringend beslist worden of een vakantiecursus die ik in het buitenland gaf, al dan niet zou doorgaan. Om dat antwoord te kunnen geven hoorde ik tientallen mails te verzenden, nieuwe teksten te schrijven en afbeeldingen te vinden, een snelprocedure promotie op te starten via een nieuwsbrief en facebook enz. enz.

Toen die klus na een paar uur geklaard was hoorde ik aan het schrijven te gaan, maar ik had een break nodig die mijn geest op zero zou zetten, en daar is de tuin de ideale plek voor. Toen ik de planten zou gieten en daarvoor water wou tappen uit de regenton, brak  de kraan ervan af. Het water gutste eruit. Het had de vorige dagen behoorlijk geregend en de ton was eivol. Heel even was ik in de paniek, want 300 liter prachtig water dreigde verloren te gaan. U moet weten, ik ga uitermate bewust met water om, als was het Whisky en ik een Schot.

Dat heb ik te danken aan twee ervaringen: een  tocht – met de nodige verdwaling –  in de woestijn, gevolgd door de confrontatie met de manier waarop Touareg nomaden met water omgingen, en de film Jean de Florette, die ik herhaaldelijk, met lichtelijk aan neurotisch grenzende empathie heb herbekeken.

Het deed me dus verschrikkelijk pijn aan de ogen te moeten zien hoe het water in een heldere, klare stroom zoals alleen regenwater dat kan doen, krachtig uit de opening waar de kraan had gezeten gulpte. Ik kneedde de vingers van mijn natte handschoen tot een soepele prop en perstte die in de opening. Wetend dat het slechts een paar seconden zou stand houden snelde ik als een kloon van Haile Gebrselassie naar mijn garage en kwam terug met mijn EHBO kistje ‘waterinterventies’. Dat kistje built uit van de aansluitstukken, verlengkoppelingen, rubbertjes, spanners, ventielen, haast allen reeds vele levens achter de rug en uitkijkend naar nieuw dienstbetoon. Maar zoals te verwachten: geen paste in de opening dus ik verzon een constructie met de overgansstukken, stukjes tuinslang, en een reeks spanners om het vloeiend klatergoud  van de ton naar een inderhaast leeggemaakte compostcontainer te laten overvloeien. Dat lukte wonderwel en ik was heel gelukkig. Maar ik wist ook dat mijn geluk van korte duur zou zijn, net zo kort als het verschil tussen de inhoud van de ton en die van de container, en dat was precies de helft. Dat betekende dat de andere helft maar ook zeer traag en intussen Hoe ik ook mijn best had gedaan om het droog te houden, het noodalternatief voor de kraan was niet perfect en lekte druppelgewijs. Eenmaal de container gevuld zou ik machteloos  moeten toezien hoe druppeltje per druppeltje de resterende andere helft van de regenton meedogenloos zou verdwijnen in de verslindende aarde. En dat maakte me behoorlijk ongelukkig. Ik was dus gelukkig en ongelukkig, tevreden en ontevreden, geslaagd en gefaald, blij en gefrustreerd.

Toen ben ik in het gras gaan mediteren, rechtover de ton, met de blik gefixeerd op de druppels die zich als een legertje soldaten uit de loopgraven  overgaven aan de vijand.  Ik was benieuwd of ik een nieuw perspectief op mijn probleempje zou vinden.
Met mijn vinger  tekende ik de P van ‘Probleem’ recht voor mij in de lucht, vervolgens tekende ik twee pijlen die van daaruit vertrokken: eentje omhoog, eentje omlaag.
Ik focuste eerst op die naar omhoog, hij noemde Doen en vroeg me: ‘Heb je me nog nodig?’.
Ik aarzelde, want het is moeilijk toegeven dat er echt niets meer kan gedaan worden. “Nee dank je, we hebben echt alles gedaan wat we konden”, gaf ik  uiteindelijk toe.
“OK”, zei hij, “Tot een andere gelegenheid misschien”, en hij verdween.

Toen was er nog alleen die pijl naar beneden. Die noemde Denken, en hij vroeg me: “Kan ik nog iets voor je denken dat je zou kunnen helpen om de minste last te hebben, nu Doen er niet meer toe doet”. Ik zei: “Als je dat zou kunnen, graag.”
“Wel, je probleem oplossen kan ik niet”, zei hij “maar we kunnen wel een zinnetje zoeken dat je helpt om daar de minst mogelijke last van te hebben.” Hij schudde met zijn hoofd, zodat het er uitzag als een sneeuwbol en toen alle vlokjes waren gaan liggen zei hij:
“Telkens als je denkt aan je probleem, zeg dan tegen jezelf dit kleine zinnetje: ‘perfectie is maar perceptie’.”

Nadien ben ik opnieuw aan het schrijven gegaan. Het ging niet zo vlot als gisteren. In plaats van voort te werken aan het boek schreef ik dit verhaal. Nutteloze woorden die nooit in het boek zullen staan, woorden die als waterdruppels verdwijnen in de grond.

Ik weet niet wie het was, maar net op dat moment  fluisterde iemand in mijn hoofd: psst, perfectie is perceptie.

 

 

 

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.