Angst? Wees er niet bang voor

Angstklachten zijn nog behoorlijk taboe.
Terwijl stress, burn-out en depressie stilaan uit de taboesfeer geraken, de media er aandacht aan schenken en steeds meer mensen, niet in het minst Bv’s, er openlijk voor uitkomen dat ze er last van hebben, krijgen mensen met angstklachten nog vaak een ‘stel-je-niet aan’ etiket opgeplakt.
Dat komt uiteraard ook omwille van het eigene aan angstklachten: het gaat vaak om objecten of situaties waar anderen amper of helemaal niet bang voor zijn (de ‘angstige medemens’ was dat zelf ook niet tot hij zijn angstklacht ontwikkelde). En dus wordt het snel als ‘aanstellerig’, ‘belachelijk’, ‘onredelijk’ of ‘overdreven’ afgedaan en de goedbedoelde steun reikt dan ook niet verder dan een ‘Maar daar moet je toch niet angstig voor zijn!’ Of ‘Zet u daar over’. Of: ‘Wees eens wat rationeler in plaats van je zo te laten gaan.’

De angstige medemens heeft zo zijn eigen manier om met zijn angst om te aan: vermijding.
Met een liftfobie nemen we de trap, met een spinnenfobie vermijden we kelders, zolders, buitenverblijven in de bossen en uitstappen in de natuur. Een autorijfobie lossen we op door het openbaar vervoer te nemen, of een job dicht bij huis te kiezen, een emetofobie (angst voor braken) door niet meer op restaurant te gaan, zieken te vermijden en thuis alleen nog ‘veilige’ dingen te eten, en met een vastzit-fobie mijden we gewoon alle situaties waarin we niet wegkunnen zonder gezichtsverlies: vliegtuig, lange ritten met trein en bus, tunnels, bruggen, viaducten, de kapper, de tandarts en lange etentjes en vergaderingen.
De prijs van dit vermijdingsgedrag is echter zeer hoog: door het ’slechte’ te vermijden, verlies je ook het ‘goede’. Vliegen of autorijden vermijden betekent mooie, verre reizen missen, of een boeiende job. Niet meer uit eten gaan betekent minder sociale contacten. Allerhande situaties vermijden die op zich ‘banaal’ lijken, leiden ook tot een negatief zelfbeeld: ‘Wat is dat nu met mij, ik durf niets meer.’
Bovendien kom je vaak in conflict met je directe omgeving. Die moeten mee in de vermijding – wat ze niet willen – en moeten bovendien soms ook nog eens taken overnemen (de kinderen of de partner moeten de boodschappen doen op de plekken waar jij niet meer durft te komen, of ze kunnen niet op reis omdat jij vliegangst hebt) en dat zal na een poosje beginnen wringen.

Gedurende veertig jaar heb ik in mijn praktijk vele angstklachten gezien, maar er waren een aantal klassiekers die vaak voorkwamen:
De meest frequente was agorafobie, die niets met ‘agora’ of (plein)vrees te maken heeft, maar die slaat op een angst om ‘vast te komen zitten’, niet meer weg te kunnen wanneer men het benauwd zou krijgen (je kan moeilijk uit het vliegtuig of de rijdende trein springen) of dat er geen hulp zou kunnen geboden worden wanneer men dit nodig zou hebben (in de kanaaltunnel rijdt geen ambulancewagen). Vaak is zo’ agorafobische klacht gekoppeld aan een paniekstoornis, al dan niet met hyperventilatie.
Vervolgens komen de enkelvoudige fobieën (men is bang voor één enkele, afgelijnde angststimulus): spinnen, honden, autosnelwegen, liften, hoogtes …
Vervolgens is er de angst voor enge dingen: donder en bliksem (storm), injecties en medische of tandheelkundige ingrepen, emetofobie (de angst om te braken of te zien braken), smetvrees (de angst om besmet te worden door bacteriën of virussen) en ziektefobie (een obsessieve preoccupatie met en angst voor ernstige zieketen zoals kanker, hart- of herseninfarct, gek worden)
En tenslotte is er de sociale fobie (de angst om te blokkeren in sociale situaties zoals feestjes, familiebijeenkomsten, groepen), de angst om in deze situaties buitensporig te blozen, beven, zweten en de spreekangst: de vrees om in het openbaar te spreken voor een publiek.

Aanpak.

De meest frequente aanpak is psychotherapie en/of medicatie.
Als je het wetenschappelijk effectonderzoek (evidence based research) erop naleest, dan blijkt cognitieve gedragstherapie voor angstklachten de meest adequate benadering.
Soms wordt deze aangevuld met hypnotherapie of MBCT (Mindfulness Based Cognitive Therapy).
Een uitgebreid artikel over de integratie van deze benaderingen bij angstklachten, kan je hier lezen.

Maar niet iedereen hoeft meteen in therapie.
Er bestaan ook behandelingsprogramma’s in cursusvorm, in boekvorm en online.
Afhankelijk van de ernst van de angstklacht kan je er zelf mee aan de slag of dien je een hulpverlener op te zoeken.
De ernst wordt bepaald door een aantal variabelen: de intensiteit (hoe hoog loopt de angst op), de frequente (van de paniekaanvallen bijvoorbeeld), de duur van de klacht (hoe lang is de angstrespons al geconditioneerd), de co-morbiditeit (gaat het om een loutere angstklacht of is deze verweven met andere klachten zoals depressie of relatieproblemen) en de invalidering (kan die persoon nog werken, sociaal functioneren enz.).
Je kan die variabelen situeren op een imaginaire schaal, een continuüm lopend van minimaal aan de ene kant (bijvoorbeeld links) naar maximaal aan de andere kant (bijvoorbeeld rechts).
Mensen die zich in de tweede helft bevinden (en hoe verder naar rechts hoe meer) zijn aangewezen op psychologische of psychiatrische professionele hulp. Daarentegen zullen mensen die zich met hun angstklacht in het eerste deel van het continuüm bevinden (en hoe meer naar links, hoe vanzelfsprekender), vaak zelfstandig kunnen geholpen worden door een methodisch uitgebouwd cognitief gedragstherapeutisch programma dat ze zelf kunnen aanleren via een cursus, een handboek of online.

Voor meer info over de anti-angst training kan je hier terecht.

En als uitsmijter dit keer een column over een hoogst originele fobie: klik